28 september 2019

De titel zegt al heel veel. Hugo dient. Hij kan geen eigen keuze maken, maar leeft temidden van mensen die dat wel doen. Noa en haar moeder dienen ook, tegen wil en dank. De drie verhaallijn zijn prachtig in elkaar verweven. Steeds staat muziek centraal, in alle verhalen hebben de personages te maken met psychiatrisch patiënten in inrichtingen. Allemaal gaan ze daar anders mee om.
Na het overlijden van zijn vriendin Isa verhuist Hugo van de stad naar een villa op een heuvel. Daar hoopt hij de rust te vinden om, naast zijn werk als nachtbroeder, of nachtwaker, een boek te schrijven. Het is hem niet duidelijk waarover precies, zolang het maar niet weer over Isa gaat. Wanneer hij zijn hospita en haar dochter, Noa, leert kennen, is het met zijn rust gedaan en komen de verhalen vanzelf.
Het verhaal van het wonderkind Noa, dat koste wat het kost wil worden toegelaten tot het conservatorium, terwijl haar moeder alles doet om dat te voorkomen – wie eet er dan iedere dag met haar zoon, die in de inrichting woont?
Dat van Alexandra, Noa’s Duitse pianodocente, die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd gedwongen een gruwelijke keuze te maken, terwijl ze alleen maar piano wilde spelen. En natuurlijk toch een verhaal over Isa.
Al gauw ontdekt Hugo dat de verhalen elkaar allemaal raken, en zich van de schrijver weinig aantrekken.
Hugo schrijft verhalen, over muziek, over componisten, sprookjes, alles om maar niet aan Isa toe hoeven denken. Als hij maar niet hoeft te communiceren, hij doet alles om confrontaties uit de weg te gaan, om zijn gevoel te kunnen wegstoppen.
De verhaallijnen lopen dwars door elkaar heen, je moet bij de les blijven en je goed realiseren over wie het gaat. In de volgende alinea kan het weer iemand anders zijn.
Ik moest even wennen aan de soms bladzijdeslange monologen in het boek. Lange zinnen, veel tussenzinnen, onafgemaakte zinnen, gedachtenspinsels; het is echt opgeschreven zijn zoals iemand ze zou uitspreken. Dit maakt het gelijk heel natuurlijk, ongekunsteld.
Een fascinerend boek, met een prachtige, veelzeggende omslag.
Uitgeverij Nieuw-Amsterdam, 2010
191 pagina’s