
Brieven uit Genua is het tweede boek van Pfeijffers drieluik over Genua, de stad in Italië waar hij woont. Maar in tegenstelling tot het eerste boek, La Superba (2013), dat meer fantasie en fictie was, gaan de brieven over de realiteit. Met weelderig taalgebruik in prachtige zinnen vertrouwt Pfeijffer mijmeringen aan het papier toe; rake beschrijvingen, voorvallen en uitgebreide, diepgaande, gedachtenspinsels over wereldzaken, maar vooral over zichzelf. Zelfspot is hem niet vreemd. Op zijn bekende recalcitrante manier, waaruit een zeer onafhankelijke geest spreekt, geeft hij ons een inkijkje in de wereld achter de schermen van uitgeverijen en ook hoe het eraan toegaat als er literatuurprijzen uitgedeeld gaan worden.
Het boek bevat zijn brieven aan zijn oude geliefde, waarin hij zich eerlijk, in scherpe, kritische formuleringen, soms ook heel rauw blootgeeft. Aan zijn moeder, waarin hij terugblikt op zijn jeugd. Maar ook schrijft hij aan uitgevers, én aan zichzelf, vanuit de toekomst aan de jonge Ilja. Deze laatste serie – aan zichzelf – is teruglopend in de tijd opgenomen. De oudste brief staat achteraan.
Alle brieven in het boek zijn ook daadwerkelijk verstuurd.
Terwijl hij toch niet behept is met een klein ego, zit er op dat gebied in het laatste stuk van het boek een mooie ontwikkeling. We leren hier een heel kwetsbare Ilja Leonard Pfeijffer kennen.
Pfeijffer ziet deze verzameling brieven ook als een soort autobiografie, waarin hij alles kwijt kan wat hij nodig vindt, waarin zijn echte persoon tot leven komt.
JE ZOU KUNNEN ZEGGEN DAT HET BRIEVENBOEK HET SPIEGELBEELDIG VAN DE ROMAN, (…) DE VRAAGSTELLING NAAR VERHOUDING TUSSEN FEIT EN FICTIE VAN DE ANDERE KANT BEZIET. DE FICTIEVE ILJA LEONARD PFEIFFER DIE DE HOOFDPERSON IS VAN LA SUPERBA HEEFT PLAATSGEMAAKT VOOR HET GELIJKNAMIGE PERSONAGE IN HET BARRE, BANGE OORD DAT WERKELIJKHEID HEET.
Prachtig, dit boek. Diep doordacht, intellligent, kwetsbaar en amusant. Wat een geweldige auteur.
Het derde deel van het drieluik, Grand–Hotel Europa, is in 2018 verschenen.
De Arbeiderspers 2016
663 pagina’s